Naast het geven van consulten, privé- en groepscursussen schrijf ik over mijn belevenissen als dierentolk in horsemanshiptijdschrift Level Up. De online versies vind je hier. Heb je een vraag over een van de columns of een leuke suggestie voor een volgend onderwerp? Stuur me dan gerust een berichtje!

Quantum Blues, Roman Nature, Eclipse Bono en Galant de la Sauvagère. We geven onze edele dieren de prachtigste namen, het huis van Oranje Nassau is er niets bij. Leuk op papier, minder leuk wanneer ze zich schuil houden aan de andere kant van de wei: joehoe, Shannondale Percy! Een roepnaam of koosnaam lijkt de oplossing. Maar wat vinden onze viervoeters hier zelf van?

Zolang je het maar liefkozend bedoelt, zit je altijd goed. Althans, dat dacht ik. Tót ik een aanvraag kreeg voor Jerome, een 17-jarig trekpaard. Jerome zit totaal niet lekker in zijn vel. Verhit en zuur, zo omschrijft zijn baasje Lianne hem. ‘Iedereen laat me in de steek!’ beweert Jerome in het gesprek. ‘Mijn lijf, mijn geheugen en zelfs Lianne!’ Ik probeer te achterhalen wat Lianne precies verkeerd doet. Ze komt dagelijks langs, poetst zijn hele vacht (toch een behoorlijk oppervlak) en wandelt zeker drie maal per week met hem langs het water. Uiteindelijk blijkt het enorme probleem van dit reusachtige dier iets onverwacht kleins: hij háát zijn bijnamen. Ouwe jongen, dikke dibbes… vol genegenheid uitgesproken, maar voor Jerome erg kwetsend. Dit paard mag dan bijna duizend kilo wegen, de oh-zo lief bedoelde koosnaampjes wegen zwaar op zijn hart.

Jerome spuwt vuur en vlam over zijn troetelnaam, andere dieren laat het Siberisch koud. Deelnemers aan mijn beginnerscursus praten met dieren krijgen als oefening een foto van onze grijze poes voorgeschoteld. De opdracht: haar naam achterhalen. Schoorvoetend noemen de cursisten één voor één wat ze hebben doorgekregen: pollewop, snorkel, prinses, Pingu en mopje. Zo uiteenlopend, dat kan vast niet kloppen! Tot hun grote verrassing hebben ze meestal wel degelijk een bijnaam weten op te vangen. Onze poes geniet namelijk van al haar troetelnamen. Haar echte naam? Die is nog nooit door iemand genoemd.

Zoveel dieren, zoveel persoonlijkheden. Hengst Uréon Z heeft een hele andere reden dan Jerome om zijn roepnaam niet meer te willen horen. Alles aan hem is statig en koninklijk: zijn postuur, de manier waarop hij je aankijkt, zijn manier van bewegen. Alles, behalve zijn roepnaam. ‘René? René?! Serieus, hoe komen ze erbij. Ik ben een paard van een zeker niveau, en wil graag dat mijn officiële naam gebruikt wordt. Geen getrut en getuttel, gewoon volgens het boekje graag!’ Haflinger Jimpie heeft geen problemen met zijn roepnaam, maar vindt juist zijn échte naam niet mooi: liever zou hij zijn baasje Frank of Frances horen zeggen. ‘Dat zijn namen voor een trouwe vriend, zoals ik’ zegt hij. ‘Jimpie is iets voor een grappenmaker.’ Jimpie vindt zichzelf zeer geschikt om mensen en kinderen te leren over de omgang met dieren, bijvoorbeeld op een manege of een zorgboerderij. Hij zegt dat hij veel over zich heen kan laten komen en toch zijn vriendelijkheid bewaart. In zijn huidige naam zie je dat onvoldoende terug, vindt hij. Aangezien Jimpie is gefokt door degene die het gesprek heeft aangevraagd, wacht ik de reactie in spanning af. Gelukkig reageren de eigenaars positief. Ze zijn het zelfs met Jimpie eens, en vinden de naam ook ‘een aanfluiting’. Hij is slechts gekozen vanwege de stamboekeisen en bevat een verwijzing naar de vader. Sindsdien gaat Jimpie verder onder de naam Frances.

En onze grijze poes? Officieel heet zij Roos. Maar mocht je haar ooit tegenkomen op straat, geef haar dan vooral een knuffel en een nieuwe bijnaam.

Een man rijdt met zijn brommer langs een weiland met daarin een zwart en een wit paard. Plots begint de brommer te stotteren en slaat af. "Een vette bougie!", roept het witte paard. De man kijkt verbaasd op. Hij kijkt zijn brommer na en verrek, inderdaad een vette bougie. Hij herstelt het probleem en rijdt verder. Verbaasd als hij is, gaat hij naar de boer en vertelt hem het hele verhaal. "Oh", zegt de boer, "dan heb je geluk dat het zwarte paard zich er niet mee bemoeid heeft. Die heeft geen verstand van brommers”.

Het boerenpaard als brommermonteur, een geweldige illusie. Over hun eigen “mechanisme” kunnen paarden echter zoveel en in detail vertellen, dat we overduidelijk te maken hebben met feiten, geen fantasie. Bij onverklaarbare pijnklachten vraag ik een paard altijd duidelijk aan te geven waar het probleem of de pijn zit. Ze doen dat allemaal op hun eigen manier: door het gevoel te beschrijven, de plek aan te wijzen of mij zelfs te laten voelen waar ze last van hebben. Om de pijn zo objectief weer te geven vraag ik om op een schaal van 0-10 aan te geven hoeveel pijn het doet (0 is pijnvrij, 10 is ondraaglijke pijn). Zoveel mensen, zoveel wensen, en er is geen paard dat alles hetzelfde ervaart. De één houdt zich stoer totdat hij er bij wijze van spreken bij neervalt, de ander begint al te piepen bij een muggenprik.

Shetlandhengst Brammetje is over het algemeen voor niets of niemand bang. In het gesprek is hij echter angstig. 'Ik kan nauwelijks lopen!’ roept hij uit. ‘9/10 pijn!’ Brammetje voelt een hevige steek links onderin zijn buik. Alsof er iets dubbel zit. De pijn is continu aanwezig en wordt alleen minder zodra hij zijn linker achterbeen optilt en in de richting van zijn buik trekt. Lopen kan hij daardoor niet, de pijn wordt extra hevig zodra Brammetje zijn been naar achteren strekt. In opperste concentratie, met het puntje van mijn tong naar buiten teken ik een zijaanzicht van Brammetje. De zere plek wordt voorzien van een rood kruis. Met deze informatie vindt de dierenarts een kronkel in de darm, veroorzaakt door koliek, exact op de plek die Brammetje heeft aangewezen.

Een Wasgij-puzzel, daar lijkt het soms op. Niet alle symptomen zijn zo duidelijk te plaatsen als bij Brammetje. Paarden kennen geen namen van botten en spieren, ze beschrijven wat ze voelen. Aan ons mensen vervolgens de uitdaging om met deze aanwijzingen te gaan puzzelen, op zoek naar de bijbehorende ziekte of afwijking. Castor, KWPN’er op leeftijd, geeft aan dat hij liever een deken heeft dan zijn eigen vacht. ‘Scheer die er maar helemaal af, het reguleert de warmte voor geen meter!’ Hij omschrijft zijn vacht als dik en plakkerig. Na inspanning wordt Castor duizelig en kortademig. Wandelen is het enige wat hij nog leuk vindt, liefst dagelijks 30 minuten. Met deze symptomen in haar achterhoofd vraagt Castor’s verzorgster een bloedonderzoek aan. De uitkomst: PPID, oftewel Cushing’s Disease. Het verklaart de overmatige productie van huidvet en zijn vermoeidheid. Castor krijgt medicatie en brengt sindsdien zijn tijd door als een vrolijk oud heertje, zonder dikke vacht en mét goed ademende dekens. Van een vette bougie naar een vette vacht: in beide gevallen was het een paard die de oplossing bracht!

Glanzend witte manen, een gouden vacht en door haar volle winterjas pluiziger dan menig teddybeer: haflingermerrie Anneke. Dertien jaar was ik, te oud voor teddyberen, maar volledig in de ban van dit briesende exemplaar. De boomgaard achter het huis werd omgetoverd tot weiland, en ze mocht bij ons komen wonen!

Tot zover het sprookje. Anneke was ontzettend lief, maar ook minstens zo onvoorspelbaar. Rijden in de wei ging prima. Zodra we het gras verruilden voor asfalt was alles eng. Brullende motoren, verdachte putdeksels, ritselende bladeren achter een heg: op een gegeven moment zat het schrikken zó ingebakken, dat ik zelfs op de fiets mijn handvatten fijnkneep. Ook de galop ging niet lekker. Ons weiland stond vol met fruitbomen. Bij het rechtsom galopperen was ik altijd bang om met mijn hoofd tussen de appels te belanden. In het bos eindigde rechtergalop steevast in een ongewenste racepartij. Een jas met bijzonder lawaaiige rits bood uitkomst. Voor Anneke was het al gauw duidelijk – dit geluid betekent: smikkelen! Voor mij bood deze ‘noodrem’ meer veiligheid dan een cap. Brokjes aannemen van iemand op je rug is immers onmogelijk wanneer je als een wervelwind vooruit stormt.

Ondanks alles werden Anneke en ik dikke vrienden. Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit stil. In ruil voor een appel (of nog liever: een peer) leerde ik Anneke o.a. flemen, rondjes draaien, buigen en knielen. Het zadel en hoofdstel bleven steeds vaker in de schuur: cap op, halstertouw om Anneke’s hals en wij waren ‘gezadeld’! De galop bleef echter een probleem. Via internet kwamen we terecht bij een mevrouw die via een foto met dieren kon praten. Wat een mooi maar ook gek idee, dacht ik. Wat zou dit voor type vrouw zijn? De meest logische vervolgstap in het tijdperk vóór Google Streetview: stiekem langs haar huis rijden. Het bleek opvallend normaal. Geen heksenbezems voor de deur of een achtertuin vol dansende mensen rond een kampvuur. Stiekem een beetje teleurgesteld, maar vooral opgelucht stuurde ik deze mevrouw een foto van Anneke. Met de korte vraag: heeft ze ergens pijn?

Anneke liet haar zien wat ze had meegemaakt. Ze trok een gammele kar, vanaf de bok aangestuurd door een stuurse boer op leeftijd. Ze vertelde over een smalle buitenweg met rechts een sloot, in de verte het brommende geluid van een tegemoetkomende tractor. Hoe dichterbij deze kwam, hoe angstiger Anneke werd. Ze kon maar één kant op: het water in! De houten boom van de kar brak toen Anneke met wagen én boer de sloot in dook. Helaas was de boom niet het enige dat kapot ging: bij de val brak Anneke een rib in haar rechterzij. Dit deed nog steeds veel pijn bij het aangalopperen. Mijn mond viel open. Hoe kon die mevrouw dit weten, had ze ons soms ook bespioneerd?

Na het gesprek had ik nog veel meer vragen. Voor Anneke, maar ook voor de dierentolk. De hamvraag: leer mij dit ook! Schoorvoetend schoof ik aan bij een cursus praten met dieren voor beginners. En het jaar erop, eentje voor gevorderden. Zeventien jaar verder probeer ik mensen net zo blij te maken als ik destijds was, toen ik eindelijk wist wat er in Anneke omging. In Level Up vind je vanaf dit nummer de meest bijzondere, grappige en opvallende momenten uit het leven van een dierentolk. Enneh… rijd gerust eens langs mijn huis! 😉