Naast het geven van consulten, privé- en groepscursussen schrijf ik over mijn belevenissen als dierentolk in horsemanshiptijdschrift Level Up. De online versies vind je hier. Heb je een vraag over een van de columns of een leuke suggestie voor een volgend onderwerp? Stuur me dan gerust een berichtje!

Een foto en een naam. Meer heb ik niet nodig voor een gesprek op afstand. Door de foto leg ik contact met het juiste dier, met de naam spreek ik het aan. Maar onlangs ontving ik een wel heel bijzondere aanvraag: voor een naamloos paard.

Tess handelt hobbymatig in paarden en pony’s. Haar uitgangspunt: geen pot zo scheef of er past wel een dekseltje op! Om de zoektocht naar het juiste dekseltje makkelijker te maken wil ze graag weten van welk leven haar paarden dromen. Wat maakt hen blij, wat doen ze graag en hoe ziet hun ideale baas eruit? Eerder praatte ik voor Tess met Boy, Sheila en Yentl, die inmiddels een nieuw thuis hebben gevonden. Dit keer stuurt ze me geen naam, maar slechts een foto van een chocoladekleurige ruin met onbekende naam, leeftijd én afstamming. Het lied ‘A Horse With No Name’ speelt gelijk in mijn hoofd. De bruine reus is via-via bij Tess terecht gekomen. Door zijn grote oren en witte stip op zijn snuit ziet het dier er heel aandoenlijk uit. Een korte versie van zijn wensen voor de toekomst:

Dit is een zeer rustig paard. Zijn mond heeft veel getrek en gezaag te verduren gehad, daarom houdt hij er niet van als mensen eraan zitten. Tijdens het rijden voelde hij veel spanning. Hij hield zijn hoofd scheef en maakte korte pasjes, met rugpijn als gevolg. De ruiter trok hard aan de teugels om zijn hoofd naar beneden te krijgen en zocht met name in draf veel steun aan de teugels. Galop was het minst pijnlijk: de ruiter was namelijk meer bezig met zittenblijven dan met prutsen aan de teugels. Bij spanning valt hij terug in dit patroon. Hij zal zijn hoofd scheef houden en vanuit draf zonder hulp overgaan in (een rustige) galop.

Dit paard zoekt iemand die de tijd voor hem neemt. Hij staat met liefde lang stil voor een uitgebreide poetsbeurt. Geef je hem een plukje hooi? Dan kijkt hij helemaal niet meer op of om. Hij is gewillig, maar wel koppig. Zolang je rustig en vriendelijk met hem omgaat is hij geduldig en volgzaam. Ben je te ruw of gehaast, dan gaat hij stokstijf stilstaan tot je bent gekalmeerd. Er is niets dat hem dan nog vooruit krijgt, hij wacht gerust een half uur als hij dat nodig vindt. En flappert in de tussentijd vrolijk met zijn grote oren.                                                                                                                              

Springen vindt hij leuk! Hij heeft wel iemand nodig die hem een goede techniek kan bijbrengen. Op eigen houtje komt hij de hindernissen ook prima over, met veel plezier zelfs, maar niet al te charmant. Gezien zijn rustige aard hoeft hij niet dagelijks bereden te worden. Maar knuffels zijn wel cruciaal! Met kinderen kan hij goed overweg, mits ze hem niet in zijn mond hinderen. Zijn advies: doe hem in dat geval een halster om in plaats van een hoofdstel. Een recreatieve ruiter met een gezonde dosis geduld past het best bij hem. Iemand die veel tijd aan hem besteedt en kan lachen om zijn koppige trekjes. Hij is gek op gezelschap en grasland: je moet wel iets heel moois bieden om hem daar weer uit te halen!

Hiermee gaat Tess op zoek naar een nieuw thuis voor The Horse With No Name. Een ervaren amazone adopteert hem, in eerste instantie om haar KWPN’er met verlatingsangst op buitenritten bij te staan. Binnen korte tijd is het hele gezin gesteld geraakt op de nieuwkomer, inmiddels omgedoopt tot Joris. De kinderen van 8 en 10 jaar klimmen ook regelmatig in het zadel. En ik? Ik heb ontdekt dat mijn eigen lijst nóg korter kan: een gesprek zonder een naam te weten gaat blijkbaar ook prima. Het liedje bleef nog lang in mijn hoofd zitten.

Een fantastisch coachpaard, zo omschrijft Karin haar ruin Noach. Samen helpen ze managers natuurlijk leiderschap te ontwikkelen. Noach vervult hier met groot succes de rol van coach en (gedrags)spiegel. Teveel ‘blabla’? Daar prikt hij zo doorheen. Niemand houdt hem voor de gek! Maar af en toe rukt hij zich los en rent weg. Hoewel ze Noach meestal goed begrijpt, staat Karin nu voor een raadsel. Waarom doet hij dit toch?

Om de reden van zijn gedrag te achterhalen, vraag ik Noach eerst naar zijn verleden. Wat kun je je nog herinneren van je tijd vóórdat je bij Karin kwam? ‘Ik woonde bij een mevrouw’ zegt Noach. ‘Ze was heel lief en deed ontzettend haar best. Een beetje teveel zelfs.’ Wat deze mevrouw verwachtte van een paard en wat Noach kon bieden, sloot niet op elkaar aan. Noach voelde zich voortdurend gepusht om het ideale paard voor haar te worden. Zijn bazin was fanatiek en gedreven, Noach werd er gek van. Hoe meer zij hem aanspoorde, hoe minder fanatiek Noach werd. En wanneer zijn baasje dacht Noach tekort te doen (qua tijd en beweging), voelde hij zich juist op zijn gemak.

In zijn leven blijkt Noach vaker gedwongen of (goedbedoeld) flink aangespoord om dingen te doen waar hij helemaal geen zin in had. Eerst gaf hij dit voorzichtig aan. Een blik in zijn ogen, een pas op de plaats, zwaaien met zijn hoofd, van alles heeft Noach geprobeerd. Helaas bleven die signalen door zijn baasje onopgemerkt. Toen bij Noach de maat vol was, trok hij zich los en ging er vandoor. ‘Ik kap ermee, doei!’ Die tactiek bleek te werken, want met zijn schofthoogte van ruim 1,70 legde niemand hem een strobreed in de weg.

Ik vertel Noach dat het heel verdrietig is dat hij zich al die tijd zo genegeerd heeft gevoeld. En dat Karin hem absoluut niet datzelfde gevoel wil geven! Ze respecteert hem voor wie hij is. Het coachen lijkt Noach goed te liggen, maar als hij een dag geen zin heeft, mag hij van Karin gewoon lekker in de wei blijven. In ruil daarvoor verwacht ze wel dat Noach met haar communiceert. Het lostrekken is niet alleen een gevaarlijke, maar ook kostbare zaak! De nieuwe halsters en touwen zijn niet aan te slepen. Daarom vraag ik Noach om bij Karin eerst op een andere, subtielere manier duidelijk te maken wanneer hem iets dwarszit. Het is begrijpelijk dat hij er vandoor gaat als hij zich genegeerd voelt, maar Karin moet wel de kans krijgen eerst op ‘lichtere’ signalen te reageren. Dat is wel zo eerlijk. ‘Ik ga mijn best doen’ zegt Noach. Hij begrijpt dat hij in zijn reactie behoorlijk wat stappen overslaat, en Karin daardoor niet de kans geeft om erop in te spelen. ‘Het zal wel moeite kosten, want het is bijna een automatisme geworden.’

Na het gesprek verdwijn ik naar de achtergrond, en is het aan Karin en Noach om aan de slag te gaan. Enkele maanden later zit ik achter mijn laptop, wanneer een vrolijk ‘pling’ geluid een e-mail van Karin aankondigt. Nieuwsgierig open ik het bericht. Sinds het gesprek is er meer wederzijds begrip en respect tussen Karin en Noach ontstaan. Bij de ruitershop is ze al een tijdje niet meer geweest, Noach draagt sinds het gesprek nog steeds hetzelfde halster.

‘Zeg me wie je vrienden zijn, dan zeg ik wie je bent’

Gaap, gaap, een beetje cliché. Veel leuker is: ’Zeg me wie je vrienden zijn, dan vráág ik hen wie je bent!’ Bij een reading vraag ik dieren hun karakter te beschrijven, zodat de eigenaar zeker weet dat ik met hun dier gepraat heb. Ze kunnen allemaal wel iets typisch noemen waardoor hun baasje denkt: Ja! Dit is echt mijn dier. Wonen er meerdere dieren bij elkaar, dan is niets leuker dan te vragen of ze elkáár willen beschrijven.

Shetlander Lisa vertelt dat ze zich rot lacht om een indrukwekkend diepbruin paard dat zijn hoofd tijdens het rennen wild omhoog en omlaag zwiept. Dat ziet er zo komisch uit! Spelen met grote paarden geeft Lisa een rush: het is eng als ze hard op haar af komen rennen, maar zodra ze heeft weten te ontsnappen krijgt ze de slappe lach. Ik vraag het betreffende grote paard, Egel, hoe hij het spelen ervaart. ‘Lisa is zo klein, ik ren uit voorzichtigheid nooit hard op haar af. Soms stamp ik wat harder of schud ik met mijn hoofd, dan gaat ze er al als een speer vandoor. Zo schattig.’

Schimmelruin Evion staat in een kudde. Hij beschrijft zijn weidemaatjes als volgt; ‘Ze zijn allemaal helemaal zwart of wit, net zoals ik. Iedereen heeft respect voor mij, behalve één witte merrie. Dat is echt een zeurpiet.’ Het blanke paard in kwestie, Viara, lijkt niet te respecteren dat Evion de koning is. En dat zit hem heel erg dwars. In het gesprek met Viara blijkt waarom ze hem wegjaagt. ‘Evion pest andere paarden! Wanneer ik dat zie, hap en schop ik naar hem zodat hij ophoudt.’ Pas na de readings vertellen de verzorgers meer over de relatie tussen deze twee kibbelaars: het betreft een moeder en haar zoon. Nu snap ik waarom Evion haar vindt zeuren, maar haar tegelijkertijd ook vreest. Dit is de paardenvariant van een stoere gangster die wegrent wanneer zijn moeder met de slipper zwaait!

De band tussen merries en hun veulen geeft vaker aanleiding voor een gesprek. Vanuit Duitsland komt een mail van Marjan, die in de zuidelijke heuvels een aardige kudde Hannoveraners houdt. De reden dat ze mailt: merrie Fabiola en haar veulen Flash lijken continu ruzie te hebben. Maar waarom? Dat begrijpt Marjan niet precies. Fabiola vertelt dat ze gek is op ‘haar’ kudde. Wanneer ze gaan rennen, is het heel erg vervelend dat het ‘kleintje’ haar continu achtervolgt. Het is alsof ze geschaduwd wordt! Dit irriteert haar mateloos. Kan hij nou nooit eens een pasje opzij doen? Alfamerrie én moeder zijn valt Fabiola behoorlijk zwaar. Krijg ik nooit een moment rust? Het ‘kleintje’ heeft geen flauw benul van de zware last die op zijn moeders schouders rust. ‘Ik kan gigantische hard rennen!’ zegt Flash. ‘Mijn moeder maakt nog grotere sprongen, vooral haar voorbenen vliegen bijna. Dat is zo indrukwekkend. Ik doe mijn uiterste best om haar te allen tijde bij te houden, zodat ze trots op me is!’ Mijn hart breekt een beetje bij deze onschuldige woorden. Marjan en ik besluiten tot een tweede gesprek met beide dieren. Flash moedigen we aan om de wereld te gaan ontdekken. Ik leg hem uit dat zijn moeder nóg trotser op hem zal zijn, wanneer hij op onderzoek durft te gaan! Om Fabiola te ontlasten wordt de kudde tijdelijk in tweeën opgedeeld. In het gesprek met haar licht ik toe waarom dit gebeurt en staan we ook even stil bij de lieve woorden van Flash. Alles tezamen heeft al gauw effect, moeder en zoon kunnen weer door één deur. Zonder te hoeven dreigen met de slipper.

De beren zien dansen. Honger als een paard hebben. Een haaienmaag hebben. Al deze uitdrukkingen bevatten dieren, omdat zij zo heerlijk kunnen smikkelen en smullen als (juist ja…) beesten. Eten vormt een belangrijk deel van het leven van onze dieren. Maar dat niet iedereen eet als een wolf, bewijst de 14-jarige KWPN-merrie Bolanda.

In verband met terugkerende maagzweren krijgt zij speciaal voer. Marissa, de eigenaresse van Bolanda, wil graag weten wat hiervan vindt. Bolanda blijkt het voer nauwkeurig te hebben bestudeerd voordat ze het opat, want ze omschrijft het als volgt: ‘Mijn vorige voer was een mix van brokjes en een soort lange grassprieten. De andere merries kregen iets anders, zij hadden geen sprieten in hun eten. Dat zag er veel lekkerder uit! Met het nieuwe voer ben ik erg tevreden, nu krijg ik óók een bak vol van die lekkere brokken, zonder iets erdoor. Ik noem het trouwens wel brokken, maar wat ik krijg ziet er meer uit als kleine staafjes.’ Marissa staat versteld, het oude voer bevatte inderdaad luzernestengels. Bolanda greep elke kans aan om haar neus in de voerbak van de buurvrouw te steken, vol met ‘stengelvrij’ voer!

Behalve smaak spelen emoties vaak ook een rol bij het eetgedrag van onze dieren. In mijn mailbox, die normaal gesproken vooral gevoed wordt door paarden, katten en honden, verschijnt een foto van een kaketoe. Eva en Jelle willen graag weten waarom hun gevederde vriend Gerrit weigert zijn voer en snacks te eten. In plaats daarvan knaagt Gerrit liever op iets anders: de antieke boekenkast. Ik vraag Gerrit wat er aan de hand is. Hij is erg jaloers en vertelt dat zijn baasjes hem nauwelijks meer zien staan. ‘Ze zijn de hele dag thuis, er komt veel bezoek en alsnog kijkt niemand naar me! Pas wanneer ik rakelings langs de hoofden van het bezoek scheer of mijn snavel in de boekenkast zet, heeft Jelle weer oog voor mij.’ Wat blijkt? In het gezin is een baby geboren. Voorzichtig vertel ik Gerrit dat zijn baasjes de komende tijd met hun hoofd in de wolken (en luiers) zitten. Gerrit vindt dit verschrikkelijk. ‘Ik wilde helemaal geen baby!’ Eva en Jelle zien er gelukkig de humor wel van in, en beloven om Gerrit vaker bij zich te roepen. Vóórdat hij aan de kast begint. Een simpele verandering, maar binnen een dagen laat Gerrit de boekenlast links liggen. Langzaam begint hij weer met eten. Eerst alleen snacks, later gelukkig ook zijn gewone voedsel. Ondertussen zorgt Gerrit ervoor dat Eva en Jelle hun woord (blijven) houden: zodra ze hun belofte om Gerrit roepen ook maar iéts laten versloffen, gaat hij direct bovenop de boekenkast zitten. Met een speelse, maar ook waarschuwende blik in zijn ogen.

In tegenstelling tot Gerrit zou shetlandruin Shancet zijn eten nóóit laten staan. ‘Zonde!’ Vindt hij. ‘Ik  verspil nog geen sprietje hooi.’ Een nobel streven, maar zijn lijf is er niet op gebouwd. Verzorgster Marieke wil graag weten hoe ze hem een dieet kan laten volgen. ‘Er zit niets anders op dan heel vaak hele kleine porties te serveren. Als ik eten zie, moet het namelijk in één keer op! Zelfs daarna blijf ik nog speuren naar restjes. Mijn hooi wordt op het stoepje voor de stal klaargelegd. Zodra het op is, ga ik als een snuffelende stofzuiger het hele plaatsje af, op zoek naar verdwaalde plukjes.’ Marieke moet erg lachen om haar Rupsje Nooitgenoeg.

Zoveel dieren, zoveel smaken. Het ene paard is verzot op stengels, de ander heeft er juist de buik van vol. Waarmee maak jij jouw paard dolgelukkig?

Quantum Blues, Roman Nature, Eclipse Bono en Galant de la Sauvagère. We geven onze edele dieren de prachtigste namen, het huis van Oranje Nassau is er niets bij. Leuk op papier, minder leuk wanneer ze zich schuil houden aan de andere kant van de wei: joehoe, Shannondale Percy! Een roepnaam of koosnaam lijkt de oplossing. Maar wat vinden onze viervoeters hier zelf van?

Zolang je het maar liefkozend bedoelt, zit je altijd goed. Althans, dat dacht ik. Tót ik een aanvraag kreeg voor Jerome, een 17-jarig trekpaard. Jerome zit totaal niet lekker in zijn vel. Verhit en zuur, zo omschrijft zijn baasje Lianne hem. ‘Iedereen laat me in de steek!’ beweert Jerome in het gesprek. ‘Mijn lijf, mijn geheugen en zelfs Lianne!’ Ik probeer te achterhalen wat Lianne precies verkeerd doet. Ze komt dagelijks langs, poetst zijn hele vacht (toch een behoorlijk oppervlak) en wandelt zeker drie maal per week met hem langs het water. Uiteindelijk blijkt het enorme probleem van dit reusachtige dier iets onverwacht kleins: hij háát zijn bijnamen. Ouwe jongen, dikke dibbes… vol genegenheid uitgesproken, maar voor Jerome erg kwetsend. Dit paard mag dan bijna duizend kilo wegen, de oh-zo lief bedoelde koosnaampjes wegen zwaar op zijn hart.

Jerome spuwt vuur en vlam over zijn troetelnaam, andere dieren laat het Siberisch koud. Deelnemers aan mijn beginnerscursus praten met dieren krijgen als oefening een foto van onze grijze poes voorgeschoteld. De opdracht: haar naam achterhalen. Schoorvoetend noemen de cursisten één voor één wat ze hebben doorgekregen: pollewop, snorkel, prinses, Pingu en mopje. Zo uiteenlopend, dat kan vast niet kloppen! Tot hun grote verrassing hebben ze meestal wel degelijk een bijnaam weten op te vangen. Onze poes geniet namelijk van al haar troetelnamen. Haar echte naam? Die is nog nooit door iemand genoemd.

Zoveel dieren, zoveel persoonlijkheden. Hengst Uréon Z heeft een hele andere reden dan Jerome om zijn roepnaam niet meer te willen horen. Alles aan hem is statig en koninklijk: zijn postuur, de manier waarop hij je aankijkt, zijn manier van bewegen. Alles, behalve zijn roepnaam. ‘René? René?! Serieus, hoe komen ze erbij. Ik ben een paard van een zeker niveau, en wil graag dat mijn officiële naam gebruikt wordt. Geen getrut en getuttel, gewoon volgens het boekje graag!’ Haflinger Jimpie heeft geen problemen met zijn roepnaam, maar vindt juist zijn échte naam niet mooi: liever zou hij zijn baasje Frank of Frances horen zeggen. ‘Dat zijn namen voor een trouwe vriend, zoals ik’ zegt hij. ‘Jimpie is iets voor een grappenmaker.’ Jimpie vindt zichzelf zeer geschikt om mensen en kinderen te leren over de omgang met dieren, bijvoorbeeld op een manege of een zorgboerderij. Hij zegt dat hij veel over zich heen kan laten komen en toch zijn vriendelijkheid bewaart. In zijn huidige naam zie je dat onvoldoende terug, vindt hij. Aangezien Jimpie is gefokt door degene die het gesprek heeft aangevraagd, wacht ik de reactie in spanning af. Gelukkig reageren de eigenaars positief. Ze zijn het zelfs met Jimpie eens, en vinden de naam ook ‘een aanfluiting’. Hij is slechts gekozen vanwege de stamboekeisen en bevat een verwijzing naar de vader. Sindsdien gaat Jimpie verder onder de naam Frances.

En onze grijze poes? Officieel heet zij Roos. Maar mocht je haar ooit tegenkomen op straat, geef haar dan vooral een knuffel en een nieuwe bijnaam.

Een man rijdt met zijn brommer langs een weiland met daarin een zwart en een wit paard. Plots begint de brommer te stotteren en slaat af. "Een vette bougie!", roept het witte paard. De man kijkt verbaasd op. Hij kijkt zijn brommer na en verrek, inderdaad een vette bougie. Hij herstelt het probleem en rijdt verder. Verbaasd als hij is, gaat hij naar de boer en vertelt hem het hele verhaal. "Oh", zegt de boer, "dan heb je geluk dat het zwarte paard zich er niet mee bemoeid heeft. Die heeft geen verstand van brommers”.

Het boerenpaard als brommermonteur, een geweldige illusie. Over hun eigen “mechanisme” kunnen paarden echter zoveel en in detail vertellen, dat we overduidelijk te maken hebben met feiten, geen fantasie. Bij onverklaarbare pijnklachten vraag ik een paard altijd duidelijk aan te geven waar het probleem of de pijn zit. Ze doen dat allemaal op hun eigen manier: door het gevoel te beschrijven, de plek aan te wijzen of mij zelfs te laten voelen waar ze last van hebben. Om de pijn zo objectief weer te geven vraag ik om op een schaal van 0-10 aan te geven hoeveel pijn het doet (0 is pijnvrij, 10 is ondraaglijke pijn). Zoveel mensen, zoveel wensen, en er is geen paard dat alles hetzelfde ervaart. De één houdt zich stoer totdat hij er bij wijze van spreken bij neervalt, de ander begint al te piepen bij een muggenprik.

Shetlandhengst Brammetje is over het algemeen voor niets of niemand bang. In het gesprek is hij echter angstig. 'Ik kan nauwelijks lopen!’ roept hij uit. ‘9/10 pijn!’ Brammetje voelt een hevige steek links onderin zijn buik. Alsof er iets dubbel zit. De pijn is continu aanwezig en wordt alleen minder zodra hij zijn linker achterbeen optilt en in de richting van zijn buik trekt. Lopen kan hij daardoor niet, de pijn wordt extra hevig zodra Brammetje zijn been naar achteren strekt. In opperste concentratie, met het puntje van mijn tong naar buiten teken ik een zijaanzicht van Brammetje. De zere plek wordt voorzien van een rood kruis. Met deze informatie vindt de dierenarts een kronkel in de darm, veroorzaakt door koliek, exact op de plek die Brammetje heeft aangewezen.

Een Wasgij-puzzel, daar lijkt het soms op. Niet alle symptomen zijn zo duidelijk te plaatsen als bij Brammetje. Paarden kennen geen namen van botten en spieren, ze beschrijven wat ze voelen. Aan ons mensen vervolgens de uitdaging om met deze aanwijzingen te gaan puzzelen, op zoek naar de bijbehorende ziekte of afwijking. Castor, KWPN’er op leeftijd, geeft aan dat hij liever een deken heeft dan zijn eigen vacht. ‘Scheer die er maar helemaal af, het reguleert de warmte voor geen meter!’ Hij omschrijft zijn vacht als dik en plakkerig. Na inspanning wordt Castor duizelig en kortademig. Wandelen is het enige wat hij nog leuk vindt, liefst dagelijks 30 minuten. Met deze symptomen in haar achterhoofd vraagt Castor’s verzorgster een bloedonderzoek aan. De uitkomst: PPID, oftewel Cushing’s Disease. Het verklaart de overmatige productie van huidvet en zijn vermoeidheid. Castor krijgt medicatie en brengt sindsdien zijn tijd door als een vrolijk oud heertje, zonder dikke vacht en mét goed ademende dekens. Van een vette bougie naar een vette vacht: in beide gevallen was het een paard die de oplossing bracht!

Glanzend witte manen, een gouden vacht en door haar volle winterjas pluiziger dan menig teddybeer: haflingermerrie Anneke. Dertien jaar was ik, te oud voor teddyberen, maar volledig in de ban van dit briesende exemplaar. De boomgaard achter het huis werd omgetoverd tot weiland, en ze mocht bij ons komen wonen!

Tot zover het sprookje. Anneke was ontzettend lief, maar ook minstens zo onvoorspelbaar. Rijden in de wei ging prima. Zodra we het gras verruilden voor asfalt was alles eng. Brullende motoren, verdachte putdeksels, ritselende bladeren achter een heg: op een gegeven moment zat het schrikken zó ingebakken, dat ik zelfs op de fiets mijn handvatten fijnkneep. Ook de galop ging niet lekker. Ons weiland stond vol met fruitbomen. Bij het rechtsom galopperen was ik altijd bang om met mijn hoofd tussen de appels te belanden. In het bos eindigde rechtergalop steevast in een ongewenste racepartij. Een jas met bijzonder lawaaiige rits bood uitkomst. Voor Anneke was het al gauw duidelijk – dit geluid betekent: smikkelen! Voor mij bood deze ‘noodrem’ meer veiligheid dan een cap. Brokjes aannemen van iemand op je rug is immers onmogelijk wanneer je als een wervelwind vooruit stormt.

Ondanks alles werden Anneke en ik dikke vrienden. Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit stil. In ruil voor een appel (of nog liever: een peer) leerde ik Anneke o.a. flemen, rondjes draaien, buigen en knielen. Het zadel en hoofdstel bleven steeds vaker in de schuur: cap op, halstertouw om Anneke’s hals en wij waren ‘gezadeld’! De galop bleef echter een probleem. Via internet kwamen we terecht bij een mevrouw die via een foto met dieren kon praten. Wat een mooi maar ook gek idee, dacht ik. Wat zou dit voor type vrouw zijn? De meest logische vervolgstap in het tijdperk vóór Google Streetview: stiekem langs haar huis rijden. Het bleek opvallend normaal. Geen heksenbezems voor de deur of een achtertuin vol dansende mensen rond een kampvuur. Stiekem een beetje teleurgesteld, maar vooral opgelucht stuurde ik deze mevrouw een foto van Anneke. Met de korte vraag: heeft ze ergens pijn?

Anneke liet haar zien wat ze had meegemaakt. Ze trok een gammele kar, vanaf de bok aangestuurd door een stuurse boer op leeftijd. Ze vertelde over een smalle buitenweg met rechts een sloot, in de verte het brommende geluid van een tegemoetkomende tractor. Hoe dichterbij deze kwam, hoe angstiger Anneke werd. Ze kon maar één kant op: het water in! De houten boom van de kar brak toen Anneke met wagen én boer de sloot in dook. Helaas was de boom niet het enige dat kapot ging: bij de val brak Anneke een rib in haar rechterzij. Dit deed nog steeds veel pijn bij het aangalopperen. Mijn mond viel open. Hoe kon die mevrouw dit weten, had ze ons soms ook bespioneerd?

Na het gesprek had ik nog veel meer vragen. Voor Anneke, maar ook voor de dierentolk. De hamvraag: leer mij dit ook! Schoorvoetend schoof ik aan bij een cursus praten met dieren voor beginners. En het jaar erop, eentje voor gevorderden. Zeventien jaar verder probeer ik mensen net zo blij te maken als ik destijds was, toen ik eindelijk wist wat er in Anneke omging. In Level Up vind je vanaf dit nummer de meest bijzondere, grappige en opvallende momenten uit het leven van een dierentolk. Enneh… rijd gerust eens langs mijn huis! 😉